DJ 3: Klacht SAR en repliek oktober 2015

Hanzeplein i Postbus30001,9700 RB Groningen

Universitair Medisch Centrum Groningen

Sector F

Directie

Aan

Dr. P.A. Wiegersma Vechtlaan 17

9606 RJ KROPSWOLDE

Telefoon (050) 363 2600

Bijlage(n) 1

Kenmerk S Fl 5.00207

Datum 29 september 2015 Onderwerp Uw functioneren

Geachte heer Wiegersma,

Recent heeft de leiding van de afdeling Gezondheidswetenschappen zich tot ondergetekende gewend met betrekking tot uw gedrag op een tweetal functieonderdelen, te weten: uw handelswijze met betrekking tot het project MOCHA en uw handelswijze met betrekking tot het project DIPEX/POG.

In eerst instantie bent u hierop aangesproken door uw afdelingshoofd, prof. Reijneveld. Naar wij begrepen hebben, heeft u geweigerd om hier het gesprek met uw afdelingshoofd over aan te gaan. In het verlengde hiervan bent op 16 september jl. vrijwel direct weggelopen uit een gesprek met het afdelingshoofd over deze kwestie.

Op ons verzoek heeft de afdelingsleiding haar visie met betrekking tot de incidenten op papier gezet. Dit vindt u als bijlage bij deze brief. De inhoud van wat door de afdelingsleiding op papier gezet is, is voor ons zodanig ernstig dat wij moeten overwegen of er, en zo ja welke, formele stappen aan de orde zijn. Wij willen dat echter niet doen zonder u in de gelegenheid te stellen uw kant van het verhaal te belichten.

Wij nodigen u hierbij uit om op vrijdag 2 oktober a.s. om 10.00 uur met ons in gesprek te gaan over wat in de bijlage bij deze brief is vastgelegd en vernemen dan ook graag uw visie over wat zich heeft voorgedaan.

Het gesprek zal van onze kant gevoerd worden door ondergetekende en de heer Van Boven, hoofd Bedrijfsbureau. Daarnaast zal mw. Luikinga, personeelsadviseur een (kort) verslag van ons gesprek maken. Het gesprek zal plaatsvinden op mijn kamer (De Brug, 7.715).

Met vrienelijke groet,

drs. RJ. Hiemstra Directeur Sector F

 

Beschrijving casuïstiek Auke Wiegersma (ID 30434)

In de afgelopen periode heeft de afdeling GZW te maken gekregen met voor haar ongewenst functioneel en persoonlijk gedrag van een van haar werknemers, dr. P.A. Wiegersma.

In hoofdlijnen vertoont dhr. Wiegersma dit ongewenste gedrag op twee functie-onderdelen, te weten:

  • Handelswijze inzake project MOCHA
  • Handelswijze inzake Project Dipex — Praten over gezondheid

Dit gedrag valt hoofdzakelijk binnen een periode waarin dhr. Wiegersma in verband met ziekte niet op de afdeling aanwezig was (sinds 01092015), en geacht werd niet aan het werk te zijn in afwachting van het verwoorden van re integratieplannen in overleg met zijn leidinggevende prof. Dr. Reijneveld. Het re integratieproces in deze periode verliep moeizaam. Dhr. Wiegersma wees contact met zijn leidinggevende grotendeels af, maar bezocht in dezelfde periode wel twee internationale congressen. Deze congressen heeft hij zonder overleg en voorafgaande toestemming van de afdelingsleiding bezocht, waarvan hij evenwel de kosten declareerde bij de afdeling. Een mailarchief (ongeveer 70 mails) van correspondentie met dhr. Wiegersma, de bedrijfsarts, personeelszaken etc. is zo nodig beschikbaar.

Formeel is dr. Wiegersma per 1 sep 2015 weer herteld gemeld, op basis van door hemzelf en prof. Dr. Reijneveld ondertekende afspraken, die zijn opgesteld in het bijzijn van de personeelsfunctionaris (zie bijlage).

 

Handelswijze inzake project MOCHA

Door ziekte en aanstaande pensionering heeft prof. Dr. Reijneveld afspraken gemaakt over een verminderde inzet van dhr. Wiegersma op het MOCHA-project. Het MOCHA-project is een groot door de EU gefinancierd Europees project gericht op preventie bij kinderen en jeugdigen, met een werkbegroting van bijna 7 miljoen euro. Het project wordt geleid door een penvoerder in Londen, het Imperial College. Het UMCG is een van de grootste niet-Engelse partners in het project en heeft uit de begroting van het project bijna 700 duizend euro toegewezen gekregen. De projectleider van het UMCG-deel van het MOCHA-project was en is dr. Jansen. Dr. Jansen geeft vanuit haar projectleidersrol leiding aan de drie deelprojecten van het MOCHA-project die het UMCG coordineert en deels zelf uitvoert.

Dr. Wiegersma heeft zonder de projectleiding van het UMCG te informeren contact gezocht met de in London gevestigde penvoerder van het MOCHA-project over de mogelijkheden voor het uitvoeren van één van de drie deelprojecten op persoonlijke titel. Hij heeft naar de penvoerder een beeld gegeven als dat het UMCG-gedeelte van het MOCHA — project niet zou functioneren en dat enige samenwerking tussen de drie deelprojecten zou ontbreken. Ook heeft Dr. Wiegersma verzuimd te melden dat het MOCHA-project in problemen zou komen als een deel van het toegewezen budget door de penvoerder zou worden teruggevorderd. Dit heeft ertoe geleid heeft dat deze penvoerder dr. Wiegersma een mondelinge toezegging heeft gedaan om een direct persoonlijk contract met hen aan te gaan. Dit had als doel het uitvoeren van een deel van het aan het UMCG toegewezen werk ten persoonlijke betaling. Dit was zonder voorafgaand overleg met en toestemming van de leiding GZW en UMCG. Het ging hier om de rol van ‘country agent’, een rol waarvoor in het aan het UMCG toegewezen deel ruim 35 duizend euro was begroot.

Dr. Jansen heeft als projectleider MOCHA UMCG toen bovenstaande haar ter ore kwam In nauw overleg met prof Reijneveld contact gezocht met de penvoerder in London. Zij heeft hen op vrijdag 11 september 2015 telefonisch verwoord wat de zienswijze op het functioneren van het MOCHA­project in Nederland is. Op basis van deze informatie heeft de penvoerder in Engeland dr. Wiegersma per mail op 14 september laten weten dat gelet op deze voor hen nieuwe informatie uit Nederland de basis voor het aanbieden van een apart persoonlijk contract wat hen betreft verviel. Zij gaven als reden aan dat dhr. Wiegersma een verkeerde voorstelling van zaken aan hen had gedaan. De betreffende mail is beschikbaar.

In reactie op deze mededeling heeft dr. Wiegersma eveneens op 14 september jl. telefonisch contact gezocht met dr. Jansen en haar op een dreigende en intimiderende wijze benaderd, zodanig dat zij aangaf bang te zijn voor verbaal en mogelijk fysiek geweld als zij dhr. Wiegersma zou treffen. Deze gevoelens en zienswijze heeft zij op maandagavond 14 september 2015 gedeeld met haar leidinggevende, dhr. Reijneveld, welke deze gedeeld heeft met de manager BV, Van der Wal. Deze zijn tot de conclusie gekomen dat dit gedrag van dhr. Wiegersma onacceptabel is en verder functioneren op de afdeling in ernstige mate in de weg staat. Zij hebben besloten de sectordirectie in te lichten over deze gebeurtenissen om een uitspraak te vragen hoe wij met dit zeer ongewenste gedrag dienen om te gaan. Prof. Reijneveld heeft verder op 16 september tijdens een al eerder gepland overleg deze zaak aangekaart bij dhr. Wiegersma. Deze weigerde het gesprek daarover aan te gaan en is vrijwel direct weg gelopen.

 

Handeiswijze inzake Project Dipex — Praten over gezondheid

Het UMCG was tot en met februari 2015 licentiehouder voor Nederland van Dipex-international (zie bijlage) voor wat betreft gebruik van de Dipex-technologie, met de intentie deze licentie te verlengen. Dipex betreft een methode om ervaringen van patiënten met hun ziekte op video vast te leggen en via internet toegankelijk te maken voor andere personen. Het UMCG past deze technologie toe in het project praten over gezondheid. Binnen het UMCG gold dhr. Wiegersma als eerste aanspreekpunt voor zaken betreffende Praten over Gezondheid. Daarnaast fungeert een ‘Fonds POG’, gelieerd aan de Research BV en zonder eigen rechtspersoon maar met een zogeheten bestuur van dhr. Van der Wal en daarnaast twee externe maar aan het UMCG gelieerde personen (mw. Meyboom-de Jong, emeritus hoogleraar Huisartsgeneeskunde, en mw. Kalverboer, directeur ZIF).Het was de bedoeling om binnen dit fonds de activiteiten inzake POG verder te valoriseren.

Bekend was dat dhr. Wiegersma bezig was met het oprichten van een landelijke stichting ‘Praten over Gezondheid’, dat de licentie voor Nederland zou beheren . De afdelingsleiding was daarbij door dhr. Wiegersma meegedeeld dat het bestuur van het Fonds POG deze stichting zou gaan besturen. De rol van het UMCG zou dan wijzigen van licentiehouder naar ‘preferred partner’ of ophouden. Tijdens overleg hierover met dhr. Wiegersma en het bestuur Fonds POG op 17 juni 2015 bleek dat mw. Meyboom-de Jong en mw. Kalverboer de gedachte van hun toetreding tot het Stichtingsbestuur niet deelden en dat alleen dhr. Wiegersma in dit bestuur zou plaats nemen. Prof. Reijneveld heeft tijdens het overleg op 17 juni 2015 aangegeven moeite te hebben met het verschuiven van de licentie van het UMCG naar een nog op te richten landelijke stichting zonder garanties voor gebruik van de licentie door het UMCG. Tijdens een vervolggesprek met bestuur Fonds POG en dhr. Wiegersma op 8 september 2015 bleek dat dhr. Wiegersma als aanspreekpunt de UMCG-licentie van Dipex op het moment dat deze overeenkomst afliep niet had verlengd namens het UMCG maar als privépersoon. Hij deed dit zonder voorafgaand overleg met de afdelingsleiding (mondelinge mededeling van dhr. Wiegersma tijdens een overleg op 8 september jl. met dhr. Van der Wal en Reijneveld, en mw. Meyboom-de Jong).

Tijdens dit overleg op 8 september 2015 is afgesproken om het voornemen voor het oprichten van een landelijke stichting met het UMCG als mogelijk preferred partner vooraf te toetsen bij de afdeling juridische zaken van het UMCG. Hiertoe zou de afdeling GZW stukken ontvangen van leden van het fondsbestuur (zie concept verslag van dhr. Wiegersma van de bijeenkomst 8 september 2015) met daarbij een toelichting op de gevolgde werkwijze en uitleg waarom het fondsbestuur deze aanpak voorstond. Deze zouden voorgelegd worden aan prof. Reijneveld en deze om zijn mening gevraagd zou worden. Bij een eventuele overeenkomst op dit niveau zouden de stukken aan de jurist van het UMCG voorgelegd worden om na te gaan of deze constructie een voor het UMCG begaan baar pad zou zijn.

Nog voordat deze stukken voorgelegd waren aan prof. Reijneveld is gebleken uit een email van dhr. Wiegersma aan dr. Alma, een bij deze Dipex-technologie betrokken medewerker van de afdeling, dat de stichting op vrijdag 26 september 2015 opgericht zal gaan worden, zonder voorafgaand overleg laat staan toestemming van de leiding van het UMCG. Inmiddels heeft dhr. Wiegersma ook toegegeven dat de stichting ook daadwerkelijk is opgericht.

Wij stellen ons op het standpunt dat de handelswijze in strijd is met het belang van het UMCG, en hebben de sectordirectie F verzocht om passende actie te overwegen.

 

Gespreksverslag, gemaakte afspraken

Datum gesprek: 2 juli 2015 en 24 augustus 2015

Aanwezig bij gesprek: S.A. Reijneveld, P.A. Wiegersma, A.M.P. Luikinga (P&O)

Doel van het gesprek: afspraken maken over het hervatten van de werkzaamheden van Auke Wiegersma tot aan zijn AOW-gerechtigde leeftijd (18 juni 2016)

N.a.v. een door Auke opgesteld overzicht van activiteiten (bijgevoegd) zijn de volgende afspraken gemaakt;

  • Vrijstelling voor het geven van onderwijs. Wel zal Auke een achtergrond rol vervullen en als vraagbaak fungeren
  • Pnt 1 t/m 5 (onderzoek): deze werkzaamheden worden uitgevoerd en overgedragen vanaf 1 januari ’16
  • Pnt 6: over de vorming van de stichting POG komt separaat een afspraak.
  • Pnt 7: wordt nader besproken met Danielle Jansen
  • Pnt 8: Auke geeft aan geen betrokkenheid meer te willen hebben bij MOCHA
  • Pnt 9: Auke is hierover in overleg met Roy Stewart
  • Overige activiteiten: kunnen voortgezet worden; indien het kosten voor de afdeling met zich mee brengt vooraf overleg met afdelingshoofd. Na einde dienstverband zullen er op dit vaak geen verdere activiteiten zijn vanuit of namens de afdeling.
  • Eens per maand vindt er een bilateraal plaats tussen Menno en Auke tot einde werkzaamheden. Tijdens het bilateraal zal Menno een gespreksverslag maken wat door Auke voor akkoord getekend wordt
  • Indien de werkzaamheden dat toelaten kunnen deze vanuit huis worden uitgeoefend. Auke zal zijn kamer leegruimen en, indien nodig, gebruik gaan maken van een flexkamer. Dit zal worden afgestemd met Obbe van der Wal
  • Vanaf 1 januari 2016 zal Auke zijn vrije dagen opnemen tot zijn AOW-gerechtigde leeftijd
  • Na afronding van de afspraken over alle activiteiten en ondertekening wordt Auke per 1 september 2015 beter gemeld

 

OVERZICHT ACTIVITEITEN

ONDERWIJS:

  1. overdracht en advies G2010
  2. overdracht en advies G2020
  3. WEB-SAS
  4. beoordelen klinische lessen
  5. vervanging examinator bij afwezigheid
  6. Commissie Semi-Arts Stage (voorzitter Leo Veehof)

ONDERZOEK/POG:

  1. Fonds Praten Over Gezondheid – voorzitter Fonds (UMCG Research BV)
  2. onderhouden en verbeteren POG website
  3. voorbereiding en opstellen diverse subsidieaanvragen voor POG projecten:
  4. begeleiding huidige modules In voorbereiding en/of uitvoering (onderwijs, zeldzame ziekten, diabetes)
  5. werving nieuwe modules
  6. Stichting Praten Over Gezondheid
  7. project Pediatrics met EPS
  8. MOCHA
  9. workpackage (met Daniëlle)
  10. DIPEx deel (met Manna)
  11. country agent
  12. begeleiden promovendi
  13. onderzoek gerelateerd aan Oblique Cohort Design (samenwerking Epidemiologie)

OVERIGE ACTIVITEITEN:

  1. vice-president sectie CAPH EUPHA – workshops, track-meetings, preconferences
  2. beoordeling abstracts conferentie
  3. annual meeting/workshops
  4. voorzitter presentaties/sessies/workshops
  5. diverse councii/section meetings
  6. gerelateerde (advies)functies
  7. deputy chair DIPEx International
  8. presentaties diverse ouderavonden en voorlichtingsactiviteiten
  9. lid Dagelijks Bestuur V&W
  10. intervisiegroep Sociale Geneeskunde
  11. lid Commissie van Advies Wetenschapswinkei Geneeskunde en Volksgezondheid UMCG
  12. lid jury ‘Beste Klinische Les’ Medische Alumnivereniging Antonius Deusing

 

REPLIEK KLACHT PROF. S.A.REIJNEVELD

 

ALGEMEEN

De ziekmelding was 15-09-2014 en niet 01-09-2015.

Daarnaast ben ik per januari 2015 gestart met een re-integratie traject dat door hierna besproken omstandigheden en redenen duurde tot 8 maart, waarna ik mij weer heb ziekgemeld.

In de brief staat dat ik geweigerd heb met Prof.S.A. Reijneveld (hierna: SAR) een gesprek aan te gaan over de twee onderdelen van de klacht alsook dat ik op 16 september uit een gesprek ben weggelopen. In beide gevallen is dit onjuist, zoals hierna uitgebreid wordt toegelicht.

 

ZIEKTEPERIODE

In september en december 2014 zijn er gesprekken geweest in aanwezigheid van Mevr. Bouman (maatschappelijk werk) waarin de reden van mijn burn-out werd besproken.

Afwijzen van contacten met de leidinggevende was niet aan de orde. Wat wel gebeurde is dat ik na iedere week (totaal 4x) direct na mijn ziekmelding te zijn opgebeld door SAR met de vraag hoe het was, hem duidelijk heb gemaakt dat zijn wekelijks telefoontje (waarbij als ik er niet was hij mij mailde dat ik een afspraak moest maken met het secretariaat om contact op te nemen) mijn herstel niet bepaald bevorderde. Vanaf eind november heb ik daarna op deze manier geen contact meer met hem gehad.

Daarnaast is tijdens het hele traject nooit een re-integratieplan voorgesteld of opgesteld en is de probleemanalyse nooit door SAR ingevuld. Verder heb ik in de periode na het gesprek met Obbe van der Wal bij mij thuis (23 april) tevergeefs herhaaldelijk geprobeerd een afspraak te maken over werkhervatting. SAR vond dat er eerst over Fonds PratenOverGezondheid moest worden gesproken – dat gesprek vond 17 juni plaats nadat ik al
1 mei
aan het secretariaat gevraagd had hiervoor een afspraak te genereren.

 

REDEN ZIEKMELDING MAART 2015 NA RE-INTEGRATIEPERIODE

Sinds december 2013 heb ik geprobeerd een regiocoördinator (Mevr. de Meer) een uitgebreidere aanstelling te laten geven om te helpen een extramuraal co-schap (samen met HAG en OG) op te zetten en daarnaast om haar voor te bereiden op overname van taken na mijn pensioen.

Dit werd niet gehonoreerd, hoewel het aanvankelijk om slechts 0,1 FTE ging die makkelijk kon worden gefinancierd uit de inkomsten voor de coschappen. Dit geld wordt evenwel voor bijna de helft (ca. 20.000 euro) gebruikt om aanvullingen voor honoraria van medewerkers mogelijk te maken en tekorten elders aan te vullen.

Vlak na mijn ziekmelding zou op 12 september 2014 een jaargesprek plaatsvinden van SAR met Mevr. de Meer waarbij ook zou worden gesproken over mijn vervanging. Volgens SAR was dit laatste niet mogelijk omdat ik wegens ziekte niet bij het jaargesprek aanwezig kon zijn.

Tijdens mijn re-integratie periode werd duidelijk dat SAR er op aanstuurde dat ik – ondanks mijn uitgebreide, tijdens drie gesprekken (in aanwezigheid van Mevr. Bouma van maatschappelijk werk) herhaalde en door hem aanvankelijk (h)erkende bezwaren – toch weer de functie van algemeen coördinator van de coschappen op mij zou moeten nemen. Tijdens het bilateraal overleg op 11 februari werd dit besproken en SAR beloofde dat hij dit ter sprake zou brengen en kijken wat de mogelijkheden zouden kunnen zijn. Hierbij werd uitgegaan van vervanging door Mevr.de Meer. Afspraak was dat ik daarover zou horen voordat het overleg met de regiocoördinatoren op 13 februari zou plaatsvinden opdat ik hen daarover zou kunnen inlichten. Op 6 maart – na een emailuitwisseling daarvoor – vertelde SAR mij dat ik inderdaad weer de coschappen zou moeten coördineren. Ik heb toen gezegd dat dat tegen de afspraken was en dat ik dat niet van plan was te doen. Hij zei toen ‘dan hebben wij een arbeidsconflict’, waarmee het gesprek beëindigd werd. Door deze handelswijze was mijn stresslevel weer geheel terug tot op het beginpunt in september, reden waarom ik mij de maandag daarop weer ziek heb gemeld en ook A&G hierover heb ingelicht.

In november was ik bij het EUPHA congres, waar SAR en ik elkaar ook zijn tegengekomen en hebben elkaar daar gesproken. We hebben het daar onder meer gehad over hoe ik het congres ervoer en in welke mate dat voor mij belastend was. Ik heb toen gezegd dat het mij behoorlijk tegenviel en duidelijk nog niet toe was aan volledige werkhervatting.
Ik voelde mij verplicht dit congres te bezoeken omdat er diverse taken door mij moesten worden verricht vanuit mijn positie als vice-president – Daniëlle Jansen (hierna: DJ) was een paar jaar daarvoor door mij president gemaakt –  van de door mij in 2001 opgerichte Section Child and Adolescent Public Health.

Los daarvan blijkt uit deze activiteit dat ik (naar toen bleek wat te vroeg) druk bezig was met mij voor te bereiden op taakhervatting. Dat moge ook blijken uit het feit dat ik uit mijn PB zelf een coach heb aangezocht en betaald om mij te helpen bij het herstellen van mijn burn-out.
Ik neem aan dat de verwijzing naar het andere congres het bezoek aan Freiburg betreft. Dit was in juni 2015, een periode waarin ik al geruime tijd tevergeefs had geprobeerd een afspraak met SAR te maken om mijn hernieuwde tewerkstelling te bespreken (Bijlage B3)
Beide reizen zijn officieel aangevraagd en door SAR goedgekeurd/ondertekend – als dat niet op deze wijze gebeurt kan ook geen vergoeding voor reiskosten worden verkregen. Daarnaast zij opgemerkt dat het hier – evenals overigens bij alle andere conferenties in mijn tijd bij het UMCG – om geld ging dat komt uit het geoormerkt ‘inverdiengeld’ van mijn MOA-project onder Doeke Post. Ik heb in tegenstelling tot vele andere medewerkers van de afdeling nooit gebruik hoeven maken van de ‘algemene pot’.

Daarnaast ben ik zeker vanaf maart 2015 (maar ook al daarvoor) de nodige activiteiten blijven uitvoeren waaronder beoordeling Klinische Lessen, lopende zaken Fonds PratenOverGezondheid en overleg over MOCHA met Manna Alma (hierna: MA) en DJ (die daarvoor ook een aantal keren bij mij thuis is geweest). Het was immers niet het werk zelf maar de toxische werkomgeving die mij verhinderde deze werkzaamheden op de afdeling te verrichten. Ook tijdens de gesprekken met SAR in aanwezigheid van Mevr.Bouman van maatschappelijk werk werd met name door Mevr.Bouman benadrukt dat gezien de ernstige burn-out klachten het in de tijd tot mijn pensioen van belang was dat ik vooral werk zou doen ‘dat mij energie gaf’. Dat ben ik dus blijven doen, mede om een latere werkhervatting te faciliteren.

Er worden in de brief 70 e-mails genoemd, waarvan ik kennelijk slechts een beperkt aantal heb ontvangen en dus niet van op de hoogte ben.

Ik heb mijn dossier bij A&G opgevraagd.

 

MOCHA PROJECT

Tijdens het gesprek over de aanvang van mijn werk dat na veel onnodig uitstel van de kant van SAR eindelijk op 2 juli 2015 werd geregeld, is gesproken over mijn inzet voor MOCHA. Tijdens dit gesprek – dat bijgewoond werd door Mevr.Luikinga) – heeft SAR bij herhaling toegegeven dat dit project enkel en alleen door mijn (EUPHA)contacten en inspanningen voor de afdeling zijn verkregen.

Van belang hierbij is dat ik op 2 juli voor voldongen feiten werd gesteld, terwijl ik zelf vanaf het begin had aangegeven betrokken te willen blijven bij het project, ook na mijn pensionering. Aldus was dit ook besproken met DJ en MA. Dat is dus anders dan de indruk die door SAR wordt gegenereerd. Hier wordt de indruk gewekt dat dit project door de afdeling is verkregen – niets is minder waar. Verder wordt de indruk gewekt dat DJ vanaf het begin projectleider was. Dit is een aantoonbaar onjuiste voorstelling van zaken, hetgeen ook uit de bijgevoegde e-mails blijkt. Het enige dat (alleen) met DJ en MA door mij is besproken is mijn bereidheid om ingeschaald te worden voor een minimaal aantal FTE’s (0,05 FTE) om zoveel mogelijk geld over te houden voor het project in zijn totaliteit.

Hieronder zeer in het kort de geschiedenis rond MOCHA.

De Horizon2020 subsidieaanvraag voor MOCHA is in eerste instantie in samenwerking met mij opgesteld. Ik had via de EUPHA uitgebreide contacten met de coördinatoren Mitch Blair en Michael Rigby en ook in voorgaande projecten met hen gewerkt. Dat was de reden dat zij mij expliciet benaderden, zowel voor de workpackages als zeker voor country agent.
Aanvankelijk zou ik diverse taken hebben in MOCHA: leader Workpackage C, leader DIPEx onderdeel MOCHA en Country Agent. Hiervoor was ik dus op persoonlijke titel door Mitch Blair en Michael Rigby – de coördinatoren van het project – benaderd.
In overleg met hen heb ik met het oog op mijn naderende pensionering gevraagd of zij als leader resp. DJ en MA zouden willen aanstellen met mij als ‘co-leader’. De functie van Country Agent zou bij mij blijven liggen.

Op basis hiervan en omdat SAR zonder mijn medeweten had besloten een tweetal promovendi aan te stellen werd de bijdrage voor mijn activiteiten zeer sterk gereduceerd. Geconfronteerd met deze situatie heb ik mij in overleg met DJ en MA geschikt in een sterk gereduceerde bijdrage voor mijn activiteiten omdat anders een goed uitvoeren van het project als zodanig erg moeilijk zou worden.

Tijdens het gesprek op 2 juli in het bijzijn van Mevr.Luikinga werd mij door SAR meegedeeld dat ik, in tegenstelling tot hetgeen met DJ en MA was afgesproken, na mijn pensionering geen geld kon verwachten voor te verrichten arbeid – aanvankelijk zei SAR zelfs dat er in het geheel geen rol meer voor mij was weggelegd in dit project. Het geld zou op zijn en ook voor – mocht ik toch werkzaamheden willen blijven verrichten – reis- en verblijfskosten zou geen financiële vergoeding mogelijk zijn. Ik heb toen aangegeven dat ik daarover wilde nadenken. Wij spraken af een volgend overleg te houden op 24 augustus waarin ik zou aangeven of ik vanuit het UMCG verder wilde werken aan MOCHA (Bijlage: overzicht door mij voorgestelde taken en uiteindelijke afspraken). Het ging dan vooral om de begeleiding van de promovendi.

Al in maart had ik – op basis van het feit dat de aanstelling als Country Agent op persoonlijke titel was (Bijlage E) en gezien mijn recente ervaringen met SAR – met Mitch en Michael overlegd wat alternatieven waren om wel aan MOCHA te werken maar niet onder leiding van SAR. Dit was dus vier maanden voordat ik wist dat ik door SAR uit het project was geschreven en dus in de tijd dat er nog voor mij apart een budget als country agent was gereserveerd voor de duur van het project (zie bijlagen C1 en C2 dd. juni 2015 – eerdere begrotingen lieten een groter budget voor mijn activiteiten zien). Van een ‘in problemen komen van het MOCHA-project’ was dus totaal geen sprake.

Uit de bijgevoegde e-mails blijkt ook dat de beschuldiging dat ik zou hebben gezegd ‘dat het UMCG-gedeelte van het MOCHA- project niet zou functioneren en dat enige samenwerking tussen de drie deelprojecten zou ontbreken’ volkomen uit de lucht gegrepen is en nooit door mij op ook maar enige wijze aan de orde is gesteld. Ik ben dan ook zeer benieuwd waarop en op wiens informatie deze beschuldiging is gebaseerd.

Er is geen mondelinge toezegging gedaan – dit was ook niet mogelijk omdat men bij Imperial nog bezig was de mogelijkheden te onderzoeken. Los hiervan vraag ik mij af wie kan hebben gezegd dat deze mondelinge toezegging er is geweest – uit de e-mails is dit op geen enkele manier op te maken, integendeel: men was nog druk bezig de mogelijkheden te onderzoeken.

Daarnaast wordt de indruk gewekt alsof ik hier puur uit was op eigen gewin. Daar kan men moeilijk van spreken als het gaat om een bedrag van maximaal 30.000 euro over drie jaar voor werk dat door Imperial wordt ingeschat op tenminste 0,4 FTE (Bijlage E). Los daarvan heb ik – zoals elders ook aangegeven en in de e-mails te zien – altijd tegen Imperial gezegd dat ik ook zonder honorarium het werk zou willen verrichten.

De functie Country Agent is geen onderdeel van de genoemde workpackages en als zodanig uitstekend daarvan los te koppelen (Bijlage E). We waren daar druk mee bezig (Bijlage F) en er lag een ‘honorary contract as visiting senior researcher’ bij Imperial College in Londen in het verschiet. Ik heb daarbij uitdrukkelijk aangegeven dit desnoods zonder vergoeding te willen doen (maar wel vergoeding van reis- en verblijfskosten mocht dit aan de orde zijn).

Na 2 juli heb ik hen gemaild dat ik graag een en ander geregeld zou zien per 1 januari 2016.

Overigens was er in die tijd dus geen sprake van een ‘projectleiding’, noch bij SAR, noch bij DJ; dit is later ingevuld na het verwijderen van mijn rol na mijn pensionering.

Op 24 augustus heb ik gezegd geen rol meer te willen spelen bij MOCHA (Bijlage D), maar met DJ en MA werd afgesproken dat ik na 1 januari altijd kon worden benaderd mochten er vragen zijn.

Begin september vertelde ik DJ hetgeen men bij Imperial aan het uitzoeken was. Toen zij daaruit begreep dat dit mogelijk zou kunnen inhouden dat een bedrag zou worden ingehouden op de verkregen ‘lump-sum’ zei ze dat ze dat wel met Mitch zou gaan bespreken en dat dit het project in zijn totaliteit in gevaar zou kunnen brengen. Mijn antwoord was dat mij dat gezien (1) het relatief geringe bedrag en (2) de overmaat aan middelen binnen onze afdeling sterk leek.

Het telefoongesprek werd op 11 september door DJ gehouden en daarbij werd kennelijk een dusdanig nefast beeld van mij geschetst dat Mitch mij op 14 september een uiterst negatief gestelde e-mail stuurde. Deze e-mail was aan mij persoonlijk gericht en heb ik na het telefoongesprek met DJ aan haar doorgestuurd, enkel en alleen om haar duidelijk te maken wat mijn redenen voor gekwetstheid/gevoelens waren. Nu blijkt dat deze persoonlijk gerichte e-mail dus door DJ aan SAR is doorgestuurd.

Die avond had ik een telefonisch gesprek met DJ en daarin heb ik zeker mijn gevoelens laten blijken – mogelijk voorstelbaar als iemand een laatste mogelijkheid om zijn loopbaan eindelijk in positieve zin af te sluiten op volstrekt onheuse wijze wordt ontnomen. Van intimidatie of dreiging was zeker geen sprake en omdat de telefoon op de speaker stond kan dit door mijn vrouw beaamd worden. Ook de opmerking dat er sprake zou kunnen zijn van verbale en zelfs fysieke agressie bij een ontmoeting onzerzijds is volstrekt in tegenspraak met niet alleen de lange samenwerking in prima onderlinge verstandhouding tot die tijd maar, veel belangrijker, met mijn fatsoensnormen en integriteit.

Woensdag 16 september had ik – zoals ook in de klacht aangegeven – een regulier bilateraal overleg met SAR. Hij vroeg mij na binnenkomst of ik met DJ had gesproken. Ik beaamde dat waarop hij zei dat DJ dit gesprek als bedreigend had ervaren en dat ik daar iets aan moest doen. Mijn antwoord was dat de beschuldiging volkomen uit de lucht gegrepen was en dat ik er niet over peinsde daar iets mee te doen. SAR zei toen dat het dan een zeer kort gesprek zou zijn en dat hij stappen zou ondernemen. Aannemende dat het gesprek hiermee ten einde was heb ik toen zijn kamer verlaten. Bij het weggaan meldde hij ook nog dat mijn handelen richting Londen volkomen onacceptabel was, zonder daarbij te zeggen dat het gesprek wat hem betreft nog moest worden voortgezet. Van een voortijdig weglopen zoals gesuggereerd was dus geen sprake – in wezen heeft SAR mij na zijn mededeling weggestuurd.

 

Mijn vrouw had in voorgaande jaren uitgebreid samengewerkt met DJ en was zeer verbaasd over de gang van zaken. Zij heeft daartoe – overigens zonder aansporing mijnerzijds – eveneens op 14 september ’s avonds per e-mail contact opgenomen met DJ waarop deze antwoordde dat een gesprek bij een kop koffie een goed idee was (dit is overigens vreemd in relatie met wat in de klacht wordt genoemd, namelijk dat zij de avond van de 14e contact had gezocht met SAR). Mijn vrouw heeft vervolgens op woensdagmiddag (na mijn gesprek met SAR – overigens hiervan losstaand) een gesprek met DJ gevoerd. Dit gesprek – dat meer dan een uur duurde – resulteerde er in dat (1) DJ een en ander zou rechtzetten bij SAR (2) dat DJ en ik op korte termijn een gesprek zouden hebben, (3) dat DJ samen met mij een e-mail zou sturen naar Mitch. Dit alles nadat DJ met nadruk had aangegeven dat zij mijn inspanningen en samenwerking bijzonder apprecieerde en mij als persoon hoog achtte. Afgesproken werd dat mijn vrouw dit aan mij zou mededelen. Deze uitkomsten van het gesprek werden nog eens middels een e-mail van mijn vrouw bekrachtigd.

Ik heb na het horen van hetgeen tijdens het genoemde gesprek aan de orde was geweest DJ een e-mail gestuurd met de vraag of wij op korte termijn een afspraak zouden kunnen maken om een en ander te kunnen bespreken.

Toen mijn vrouw op vrijdag nog niets van DJ hadden gehoord (normaal antwoordde DJ altijd direct op haar e-mails) heeft mijn vrouw gevraagd of DJ haar e-mail wel had ontvangen. Ze heeft een leesbevestiging toegevoegd en gezien dat de mail is gelezen maar heeft tot op heden geen reactie mogen ontvangen. Maandag 21 september kreeg ik een e-mail van DJ waarin zij aangaf niets meer te kunnen doen – het was duidelijk dat zij de afspraken niet zou nakomen; mijn vrouw heeft ook geen antwoord op haar e-mails gehad.

De dinsdag daarop heb ik een e-mailwisseling gehad met Mitch waarin ik onder meer aangaf sterk onaangenaam getroffen te zijn door de toonzetting en impliciete beschuldigingen. Mitch heeft mij toen een ‘excuus-e-mail’ gestuurd met de opmerking dat hij heel graag met mij zou verder werken maar dat een betaalde functie niet meer mogelijk zou zijn. Mijn antwoord daarop was onder meer dat ik al eerder had aangegeven voor mijn werk voor MOCHA geen geld te hoeven ontvangen en ik heb een aantal alternatieven genoemd. (Bijlage G).

Overigens blijkt zonneklaar uit de eerdere e-mails (Bijlage F) dat ik nooit het functioneren van MOCHA in twijfel heb getrokken en ook aan Mitch heb ik aangegeven dat dat wel zeer vreemd zou zijn omdat zowel DJ als MA door mij als vervanger naar voren waren geschoven. Daarnaast heb ik regelmatig met tegelijk MA en DJ overleg gehad over de voortgang bij MOCHA – niet bepaald een handelswijze die twijfel aan samenwerking inhoudt. Mijn enige twijfel betrof het functioneren van SAR.

Wat betreft de financiële ‘moeilijkheden’ zij vermeld dat het ging om een bedrag over drie jaar van ca. 30.000 op een totaal van bijna 700.000 euro – Bijlage C1 en C2.

Daarenboven zij vermeld dat een dreiging met ‘stappen’ (vergelijkbaar met de dreiging met een arbeidsconflict in maart 2015 – zie daar) alsook de karaktermoord die werd gepleegd door DJ en SAR eerder bedreigend mag worden genoemd dan een telefoongesprek waarin mijn gevoelens op relatief wel zeer beheerste wijze tot uiting zijn gebracht. Zie voor dit alles Bijlage G: tijdlijn rond gesprekken met DJ en de betreffende e-mails.

Inmiddels is ook duidelijk wat naast het indienen van deze klacht met ‘stappen’ werd bedoeld: op 16 september werden de afspraken ‘stafvergadering’ door het secretariaat uit mijn agenda geschrapt en ongeveer tegelijkertijd werd aan de stafleden te kennen gegeven dat zij geen contact meer met mij dienden te hebben. Dit alles  zonder dat SAR mij daarover berichtte. Daarnaast zie ik in een e-mail van 6 oktober dat de kasten uit mijn kamer ter beschikking worden gesteld. Ook zonder overleg, waarbij ik mij afvraag of de gevoelige documenten die ik op mijn kamer had liggen inderdaad op de juiste manier zijn verwerkt – de afgelopen 5 weken was er kennelijk niet de juiste container beschikbaar ondanks herhaaldelijk aandringen mijnerzijds.

 

STICHTING PRATENOVERGEZONDHEID NEDERLAND

Ten eerste is SAR tijdens de twee gesprekken die het Bestuur van het Fonds PratenOverGezondheid met SAR had over het voornemen een Stichting op te richten er herhaaldelijk op gewezen dat de oorspronkelijke DIPEx-licentie was uitgegeven door DIPEx Charity en niet DIPEx International zoals in de klacht weer wordt aangegeven. Daarnaast zij opgemerkt dat de licentie in wezen voor mij was bedoeld (hetgeen uit het gebruik van mijn naam blijkt), maar omdat DIPEx Charity geen licentie kon verlenen aan personen, moest dat via de afdeling worden gedaan. Vandaar ook dat de licentie is ondertekend door SAR.

DIPEx International (DI) is in 2014 opgericht (zelf ben ik vice-chair daarvan) – een consortium van 13 landen die dezelfde methodiek hanteren waardoor vergelijkende internationale studies mogelijk zijn.

DI had, om de kwaliteit van het onderzoek en de onderzoekers te garanderen licentierechten geformuleerd die bij lidmaatschap van DI – mits aan specifieke eisen was voldaan – konden worden verkregen. In de vergadering van de Board of Directors van DI tijdens de Freiburg conferentie in juni 2015 werd het uiteindelijke het bedrag vastgesteld dat door leden van DI hiervoor zou moeten worden betaald. Ik heb toen aangegeven dat ik de licentie vooreerst uit eigen middelen zou betalen en dat de licentie zou moeten worden verzonden naar “Stichting PratenOverGezondheid Nederland i.o., Dr.P.A.Wiegersma, voorzitter” (Bijlage H). Er is dus geen sprake van het verwerven van de licentie als privépersoon – dat is binnen de statuten van DI ook niet mogelijk – en dat heb ik tijdens het overleg op 8 september ook uitdrukkelijk aangegeven. Ik heb de invoice in principe slechts als voorschot betaald mochten de financiële middelen van de Stichting op enig moment toereikend zijn. Het gaat hier dus niet om een verlengen van een bestaande licentie maar om het verkrijgen van een nieuwe licentie. Aan het eind van dit deel van de klacht wordt wederom gesuggereerd dat het een verlenging van een bestaande licentie is.

De redenen voor het oprichten van de Stichting zijn tijdens de twee overleggen uitgebreid met SAR besproken en hij kon zich daar alles bij voorstellen (landelijke uitstraling, ANBI status, kwaliteitscontrole) en was het bovendien daarmee eens – dit kunnen de andere bestuursleden van het Fonds Mevr.Meijboom en Mevr.Kalverboer – uitgezonderd waarschijnlijk Obbe van der Wal – beamen.

Nooit is door mij – zoals ook uit het verslag van de eerste bijeenkomst op 17 juani blijkt – aangegeven dat de Stichting zou worden bestuurd door bestuursleden van het Fonds. In wezen wordt hiermee dus ook de geloofwaardigheid van Mevr.Meijboom en Mevr.Kalverboer in twijfel getrokken Daarenboven heb ik nooit direct met SAR gesproken over het oprichten van de Stichting – dit is door Obbe van der Wal gedaan. Ik ben uiteraard niet op de hoogte, noch kan verantwoordelijk worden gesteld voor hetgeen hij aan SAR heeft meegedeeld.

Eerste bijeenkomst Fondsbestuur en SAR: Duidelijk blijkt daaruit dat nimmer is aangegeven dat het bestuur van de Stichting zou worden gevormd door het Fondsbestuur – dit misverstand bij SAR staat aldus ook in het verslag vermeld. Dit misverstand was des te meer bevreemdend omdat Obbe van der Wal – als lid van het Fondsbestuur – hem zou hebben voorbereid op het gesprek. Toen SAR aangaf bezorgd te zijn over het verkrijgen van kwalitatief onderzoek vanwege het feit dat de Stichting geen directe band meer zou hebben met de afdeling GZW hebben zowel Meijboom als Kalverboer aangegeven bestuurslid te willen worden als daardoor deze ongerustheid zou kunnen worden weggenomen.
Het is mij ook niet duidelijk dat enerzijds wordt gesteld dat de licentie tot verbazing en ongenoegen van SAR bij de Stichting in beheer zou zijn en anderzijds dat het bekend was dat de Stichting de licentie zou beheren.

Nimmer is besproken dat de rol van het UMCG zou ophouden. Er is zelfs met nadruk gewezen op het voordeel van het in stand houden van het Fonds als onderzoeksorgaan waarvoor apart een samenwerkingsovereenkomst (SWO) als Preferred Partner zou worden opgesteld. Afspraak tijdens het tweede overleg op 8 september was dat de SWO samen met een door mij op te stellen ‘oplegbrief’ door Obbe naar de juridische afdeling zou worden geleid om te laten beoordelen. Dat waren de afspraken die zijn gemaakt en niet die welke worden gesuggereerd door SAR – dit zijn slechts achteraf bedenkingen die volkomen ten onrechte als besproken zijnde worden weergegeven (zie ook antwoord e-mail Meijboom).
Van een ‘toegeven’ dat de Stichting opgericht zal worden is dan ook geen sprake – dit was tijdens het overleg duidelijk aangegeven met zelfs een datum (vóór 1 oktober) zoals ook in het verslag zichtbaar. Het oprichten stond ook niet ter discussie, maar veeleer de relatie tot het Fonds PratenOverGezondheid en de inhoud van het preferred partnership.

In de fondsstatuten staat vermeld dat de redenen voor het ‘verbieden’ van het oprichten van Stichtingen door medewerkers van het UMCG in het feit dat er dan vaak sprake was van 3e en 4e geldstromen en een financiële koppeling waardoor in geval van calamiteiten het UMCG aansprakelijk kon worden gesteld. Bij deze Stichting is dat op geen enkele manier aan de orde. Zie hiervoor de akte van oprichting van de Stichting Om deze reden is ook niet gesproken over een al dan niet toestemming verlenen door SAR – het Bestuur heeft in de gesprekken duidelijk proberen te maken dat dit wat ons betreft onnodig was. Het oprichten van de Stichting stond dan ook volkomen los van de afspraken rond preferred partnership.
De beschuldiging dat dit in strijd is met het belang van het UMCG is volstrekt onjuist en tijdens de gesprekken met SAR is dit uitgebreid aan de orde geweest, waarbij werd aangegeven dat, naast het voordeel van een landelijke uitstraling, kwaliteitsbeheer, etc., het opzetten van een Preferred Partnership met het UMCG (bij voorkeur het Fonds) veeleer een verrijking zou zijn van de mogelijkheden.

Op 9 oktober jl. kreeg ik via DIPEx International de e-mail die SAR stuurde om te proberen alsnog de licentie te verkrijgen. Opvallend is daarbij dat hij mij niet met name noemt , laat staan in CC heeft gezet,  en ten onrechte de indruk wekt dat de medewerker een verlenging van de licentie door ziekte heeft vergeten (Bijlage I – laatste email). Bovendien wordt hier gesproken over de DIPEx Charity licentie (die afliep per december 2014: informatie van DI) en wordt bovendien de inhoud van de licentie onjuist weergegeven. Daarnaast staat de opmerking “I am not sure whether this licence has been extended on behalf of the UMCG” voorzichtig gesteld op gespannen voet met de waarheid (zie verslagen overleg).

GESPREK MET DHR.HIEMSTRA, MEVR.LUIKINGA, E. VAN BOVEN
(12 oktober 2015)

Op 12 oktober hadden de inmiddels door mij ingeschakelde advocaat Mevr. Mr. van de Wiel en ik een ‘wederhoor’ gesprek met bovenvermelde personen. Doel was mijn visie op de onderdelen van de klacht te bespreken. Aan het eind van het gesprek werd ons gevraagd wat wij wilden dat er zou gebeuren. Wij hebben toen aangegeven dat er in ieder geval een officiële en openbare intrekking van de klacht zou moeten plaatsvinden, dat het door SAR ingestelde contactverbod voor stafleden en andere relevante werknemers bij de afdeling zou worden opgeheven en dat de juridische kosten zouden worden vergoed. Daarnaast zou voor de tijd dat ik nog in dienst van het UMCG was iemand anders de mogelijk nog vereiste handtekeningen (bijv. voor declaraties e.d.) zou plaatsen. Verder zou nagegaan worden of er toch nog een gesprek mogelijk zou zijn met DJ om de arbeidsverhoudingen enigszins te normaliseren.

 

Op 14-18 oktober was er in Milaan een EUPHA conferentie waaraan ik vanuit mijn functie als vice-president van de door mij in 2001 opgerichte Section Child and Adolescent Public Health deelnam. Ik had voor deze conferentie twee workshops georganiseerd en was chair van een sessie. Tijdens deze conferentie werd ik volledig door DJ (die ik in 2013 president van de section had gemaakt) genegeerd en was ik niet meer vindbaar in presentaties en besprekingen die door haar werden gegeven of bijgewoond. Daarnaast waren kennelijk al eerder – voordat er überhaupt sprake was van de huidige klacht – afspraken gemaakt met andere EUPHA-sections over samenwerking en ook had zij mij op geen enkele manier betrokken bij het samenstellen van de agenda voor de Annual Meeting (een bijeenkomst die door sections voor de – inmiddels voor onze section meer dan 1400 – leden wordt georganiseerd om nieuwe plannen te bespreken). Kennelijk is zij al langer bezig geweest mij uit de EUPHA te zetten. Dit is in overeenstemming met het feit dat SAR mij diverse keren heeft gevraagd of ik na mijn pensionering niet beter uit de EUPHA zou kunnen gaan. Ook hier lijkt hier dus sprake van een kennelijk al langer bestaand plan.

 

Na drie weken (3 november) kreeg mijn advocaat een aan mij gericht brief waarin werd gesteld dat ik ten onrechte de website www.pratenovergezondheid.nlbuiten het gezagsbereik van het UMCG’ heb gebracht. Opvallend hierbij is dat er niet eerst wordt nagegaan of de kennelijk van SAR verkregen informatie ook op juistheid bericht, terwijl tijdens het gesprek op 12 oktober toch duidelijk was aangetoond dat hetgeen SAR verkondigde op zijn minst aan twijfel onderhevig zou moeten zijn. Ware contact opgenomen geweest dan had men geweten dat de website nimmer ‘onder gezagsbereik’ was maar dat deze in eigendom was van Dhr. J.Wolters, CEO van Lode. Deze was zo vriendelijk eigendom van de website gratis over te dragen aan de opgericht Stichting.

Daarnaast is dit geen zaak voor mij als persoon, maar van de Stichting – ik maak slechts deel uit van het bestuur van deze Stichting. Voor een korte samenvatting van de andere redenen waarom een terugbrengen bij het UMCG niet aan de orde is, noch kan komen, zie bijlage K.

In de brief wordt ook gemeld dat ‘een voorstel om daarmee de tussen partijen gerezen problemen op een minnelijke wijze op te lossen.’ Dit is een vreemde opmerking gezien het feit dat tijdens het overleg en ook in het verslag (zie hieronder) wordt vermeld dat er sprake is van een ‘duurzaam verstoorbare verhouding is tussen Auke en Reijneveld’. Dit staat haaks op een ‘oplossen op minnelijke wijze’ en dat is ook niet de door ons op tafel gelegde eis. Verder zou worden gekeken op welke wijze vanuit het UMCG een overeenkomst met de Stichting zou kunnen worden getroffen met het doel te komen tot een preferred partnership. Ook dit is anders dan in het verslag wordt aangegeven.

Bij de brief was tevens een verslag van het gesprek van 12 oktober gevoegd. Dit verslag is evenwel uitermate onzorgvuldig en onvolledig en staat daarnaast vol met misinterpretaties en onjuistheden. Alle zaken die niet juist en/of onvolledig zijn, zijn in het verslag met highlights weergegeven. Het voert te ver hier uitgebreid op in te gaan, temeer daar een en ander ook in bovenstaande voor het grootste deel uitvoerig is aangegeven.

 

TOT SLOT

Al met al zijn de activiteiten van SAR aanzienlijk kwalijker dan die waarvan hij mij aantoonbaar volstrekt ten onrechte beschuldigt: ondermijnen van vertrouwen waarin ik jaren heb geïnvesteerd bij personen – binnen het UMCG, nationaal en internationaal – waarmee ik (en uiteraard de mensen die bij POG betrokken zijn) sinds de start van de POG-activiteiten heb gewerkt. Los daarvan worden – en dat is minstens van even groot belang – met dit alles de bestuursleden van de nieuwe Stichting (Mevr.Meijboom en Mevr.Kalverboer ernstig in diskrediet gebracht en wordt de samenwerking met Fonds PratenOverGezondheid vanuit de Stichting als preferred partner op dit moment onmogelijk gemaakt.

Hoewel een poging is gedaan de diverse onderdelen van de klacht volledig te behandelen zal duidelijk zijn dat bovenstaande zoveel mogelijk slechts de hoofdzaken weergeeft. Aanvullende informatie is uiteraard beschikbaar.

 


Behoudens deze informatie is er door Mevr.Mr. van de Wiel ook veel informatie en bijbehorende uitleg beschikbaar, mede als reactie op de pogingen van Rob Hiemstra om SAR nog ter wille te zijn en te helpen zich Pratenovergezondheid eigen te maken. Dat had aanvankelijk geen effect maar door inspanningen van Betty Meyboom is het hem toch nog gelukt de Stichting POG over te nemen. Zie ook onder ‘Het geval Betty Meyboom’